Gemeente Broekhuizen behoorde tot Vak Bakel. Het 3e bataljon van het 26e Regiment Infanterie (III-26 R.I.) was verantwoordelijk voor de verdediging van Broekhuizenvorst, Broekhuizen, Lottum en Grubbenvorst. De 3e compagnie hiervan (3-III-26 R.I.) bemande de stellingen van Broekhuizenvorst van vlak voorbij Ooijen tot Broekhuizen ter hoogte van de Stokt. De 1e compagnie nam het van daar over tot aan Grubbenvorst. Hier nam de 2e compagnie het op zijn beurt weer over tot aan Blerick. Het hoofdkwartier van het III-26 R.I. onder leiding van majoor Sicherer was gelegen in Horst.
De stellingen van 3-III-26 R.I.
Onder leiding van kapitein A.J.H. de Crau met zijn secundair 1e luitenant Meuwese ligt de 3e compagnie verspreid ten noorden van Broekhuizenvorst tot zuidelijk van Broekhuizen, opgedeeld in vijf secties.
- Sectie luitenant Paesen rond de kazematten: 174-G, 173-B en 172-S;
- Sectie luitenant Heerkens rond de kazematten, 171-G, 165-G en 170-G;
- Sectie luitenant Thien rond de kazematten 169-G, 168-G en 166-S;
- Sectie vaandrig Van de Linden rond de kazematten 164-G, 163-B en 167-B 162-G;
Hiertussen was nog gelegerd:
- Sectie pontwacht onder leiding van sergeant Sterken;
- Een stuk ‘Pag.’ onder leiding van sergeant Dekkers;
- Een stuk ‘8-staal’ onder leiding van sergeant Tuinman;
Sectie vaandrig Wimmers als grensdetachement bij de Hamert
Op donderdagavond 9 mei bereiden Duitse troepen van infanterieregiment 171 van de 56e infanteriedivisie zich voor in Walbeck. Rond 20.00 uur kwamen er bij sergeant J. Simmons, die op dat moment telefoonwacht had, verontrustende berichten binnen. Hij schakelde de berichten door naar de verschillende commandanten. Deze namen de berichten uiterst serieus en namen contact op met de detachementen aan de oostzijde van de Maas. Het aantal patrouilles moest worden geïntensiveerd. Vaandrig Wimmers besloot contact op te nemen met kapitein De Crau over eventuele vervolgstappen. Na overleg ging de vaandrig zelf met de patrouille van 22.00 tot 23.00 uur mee om te kijken wat er gaande was. Er was geen enkel teken van vijandigheden waar te nemen. Wanneer de patrouille bij een bekende vijandelijke versperring aankwam, bleek het prikkeldraad te zijn verwijderd. Plots werd de rust verstoord en klonken er geluiden van motoren, paarden en voertuigen. Vlak over de grens waren er zelfs Duitse bevelen hoorbaar. De hele situatie was uiterst verdacht en Wimmers besloot terug te keren naar het dorp.
Het was 23.55 uur wanneer sergeant Dekkers uit bed gehaald werd door sergeant Van Gastel. De stellingen moesten per direct bemand en gevechtsklaar gemaakt worden. Even later stuurde sergeant Simmons de melding naar de sectiecommandanten en onderofficieren om de stellingen te bemannen en gereed te maken. Er waren sterke aanwijzingen dat de Duitse aanval spoedig plaats zou vinden. Iedereen diende in hoge vorm van paraatheid te zijn.
Terug in het dorp nam vaandrig Wimmers contact op met majoor Sicherer. De waarnemingen die de vaandrig tijdens de patrouille had gedaan werden ook door de majoor serieus genomen. Als antwoord op de melding moest vaandrig Wimmers de wegversperringen gereed maken. Op bevel van de vaandrig werd de vernielploeg ingeschakeld. Kort daarna meldde de ploeg zich en stak de Maas over. Om toegangswegen te versperren werden bomen opgeblazen. Vakkundig aangebrachte explosieven lieten bomen afwisselend op de weg vallen. Eerder opgezette versperringen werden nog eens gecontroleerd. De vernielploeg ontstak de explosieven. Door de hevige ontploffingen werden de troepen in de stellingen aan de westzijde van de Maas opgeschrikt. Om 00.10 uur was de ‘Pag.’ stelling gevechtsklaar en wat de bemanning enkel nog kon doen was afwachten en observeren. Tussen 01.00 en 02.00 uur werd de ene na de andere stelling gereed gemeld.
Pastoor Van Dooren had de spanningen ook opgemerkt en vermoedde ook dat de inval spoedig plaats zou vinden. Hij ging langs de militairen in zijn parochie om hen de absolutie te geven.
Aan de overzijde van de Maas merkte vaandrig Wimmers op dat zijn troepen onrustig werden. Hierop besloot hij om 03.45 uur de motorordonnans erop uit te sturen om de omgeving in de gaten te houden. Het duurde niet lang of de ordonnans keerde terug met de mededeling dat de vijand was waargenomen bij de brouwerij in Arcen. Inmiddels was bij Grubbenvorst op de grens een vuurgevecht uitgebroken tussen de Duitsers en het Nederlandse detachement. Wimmers en zijn mannen hoorden luide stemmen en marcherende laarzen in de buurt van de grens. In eerste instantie dachten zij dat dit eigen troepen waren. “Wie haalt het toch in zijn hoofd om in deze tijden zoveel lawaai te maken”, dacht Wimmers. Het bleken al snel dat het geen Nederlanders zijn die zich zo luidruchtig gedroegen. Door het inzetten van een postduif meldde de vaandrig de grensoverschrijding.
De tijd van grensoverschrijding werd vastgesteld op 03.55 uur. Iets na 04.00 uur kwam het alarm binnen bij de stellingen in Broekhuizen en Broekhuizenvorst. De eerste actie die ondernomen moest worden, was het vernietigen van de veerpont. Deze mocht niet in Duitse handen vallen. In het militaire voorschrift voor een dergelijke vernietiging stond dat er explosieven aan de veerpont bevestigd moesten worden om deze midden op de Maas tot ontploffing te brengen. Deze taak berust bij twee korporaals van de Militaire Politie. Met matroos Van Duynen zouden zij op de Dilles met de pont mee varen. Wanneer de veerpont op het midden van de Maas was, zouden zij de explosieven ontsteken. Tijdens de voorbereidingen verscheen pastoor Van Dooren met een aantal dorpsbewoners in de stellingen bij het veer. De militairen in de loopgraven waarschuwden hen om terug te keren naar het dorp. “De Duitsers kunnen hier ieder moment zijn, dan is niet meer veilig!” werd er geroepen. De dorpsbewoners namen het advies ter harte en keerden vlug terug. De pastoor bleef nog even om de troepen moed in te spreken en voor te bereiden op een eventuele dood.
De korporaals van de Militaire Politie besloten de veerpont niet volgens voorschriften te vernietigen. Overweldigd door zenuwen lukte het ze niet goed de lont aan te steken. Na enig gestuntel kregen zij de lont van de explosieven op de pont aan en lieten ze de pontveer de Maas op te laten varen. Matroos Van Duynen zag dit gebeuren en merkte op dat de pontveer nog vast lag aan de wal. Uit angst dat deze aan wal zou ontploffen gooide hij de verbindingskabels los. Vanuit de stellingen zag iedereen hoe de pontveer langzaam naar de overkant voer. In spanning wachtte iedereen op de explosie, maar er gebeurde niets. Het veer voer rustig door en bereikte onbeschadigd de overzijde. Vaandrig Van der Linden was woedend en schreeuwde de korporaals toe: “Jullie hadden een half jaar om je voor te bereiden en nu staan jullie met een mond vol tanden!” De vaandrig had amper zijn zin afgemaakt of de twee korporaals gingen er met de fiets vandoor.
Aan de oostzijde van Maas raakte het detachement van Wimmers verder ingesloten. De Duitsers trokken steeds verder over een breed front op. Terwijl er in de verte vuurgevechten klonken, raakte Wimmers het overzicht kwijt. Enkele patrouilles werden erop uitgestuurd, maar keerden niet meer terug. Hij gaf het bevel aan de slechts zeven overgebleven manschappen hun spullen te pakken en zich klaar te maken voor de oversteek. Nauwelijks hadden ze hun spullen verzameld of ze hoorden geschreeuw om hen heen. Ze werden door een 15-tal Duitse soldaten omsingeld. Het laatste restant van het detachement werd hiermee gevangengenomen. De 1. Zug (peloton) van het 1e bataljon Jäger-Regiment 71 trok verder richting de Maas. Om 07.20 uur bereikten ze Arcen en kort daarna de Maasoever.
Er bestond geen twijfel meer dat de aanval op de Maaslinie uitgevoerd ging worden. Uit voorzorg werden de bewoners van de dorpen opgedragen te evacueren. Alleen pastoor Van Dooren bleef achter. Hij voelde zich persoonlijk verantwoordelijk voor de militairen die hun vuurdoop zouden ondergaan.
Wanneer de pastoor bij kazemat 162-G kwam, maakte Rotterdammer Antoon Brands een praatje met hem. Plotseling riep iemand: “Ze zijn er!” en begon het machinegeweer te ratelen. Vanuit hun stellingen zagen de verdedigers dat de Duitsers inmiddels de brouwerij bereikt hadden.
Rond 08.45 uur verscheen een Duits verkenningsvliegtuig boven Broekhuizen. De Nederlanders probeerden deze met hun karabijnen neer te halen. Dekkers beval de mannen onmiddellijk te stoppen. Hierna kreeg hij bericht dat Duitse troepen inmiddels Lottum bereikt hadden. Hij stuurde sergeant Van Gastel richting Lottum om een kijkje te nemen. Hierna werd er niets meer van de sergeant vernomen.
Korte tijd daarna vielen de eerste Duitse 10,5 mm granaten - in salvo’s van drie - met grote precisie op de Nederlandse stellingen. In de loopgraven voelden de troepen de grond om hen heen trillen, de scherven over hen heen suizen en ze werden bedekt met een laag aarde. De pastoor zag in dat hij niet langer veilig was en rende naar de pastorie. Ook hier bleek het niet veilig en zocht hij dekking achter de kerkhofmuur, knielde en begon te bidden. Met de onbeschadigde veerpont aan de oostzijde moest er een manier gevonden worden om de veerpont niet in Duitse handen te laten vallen. Dekkers nam contact op met de kapitein in Broekhuizenvorst. Hij kreeg telefonisch het bevel om de veerpont te beschieten. Het eerste schot viel veel te ver en raakte het klooster St. Paul in Arcen. Het tweede schot miste ook de pontveer en kwam terecht op een villa aan de andere kant van de Maas. Het bleek dat na het eerste schot het sluitstuk beschadigd was geraakt waardoor de druk uit de loop ontsnapte. Na slechts twee schoten was de ‘8-staal’ onbruikbaar geworden.
Inmiddels had het 1e bataljon Jäger-Regiment 71 een vaste voet aan de oostelijke Maasoever en steeds meer Duitse troepen namen er stelling. Ze troffen voorbereidingen de Maas over te steken. Terwijl de Duitsers het vuur opende op de Nederlandse stellingen, lieten ze de rubberbootjes naar voren brengen. Het dekkingsvuur leek effect te hebben en de Duitsers gingen over op een oversteek. De aanvallers ondernamen verschillende pogingen om de Maas over te steken. Telkens wanneer de bootjes te water gingen leek het rustig maar zodra ze op het midden van de Maas waren kregen zij een regen van geweervuur over zich heen. Iedere poging om over te steken werd afgeslagen.
Er was nergens een gemotoriseerde vijand te bekennen. Dekkers besloot, op eigen initiatief, dat het ‘Pag.’ alsnog moest worden ingezet tegen menselijke doelwitten. Dat de Duitsers zich verstopt hadden in het voorterrein van de Maasoever en in de brouwerij, maakte het moeilijk om doelen uit te zoeken. De Duitsers bleven onophoudelijk vuur geven. Wanneer hij een indicatie had van de Duitse stellingen gaf hij het bevel brisantgranaten af te vuren. De granaten hadden een grote uitwerking. De Duitsers trokken zich uit hun stelling terug richting de brouwerij.
Soldaat Brouns werd met de fiets van Dekkers naar het C.P. in Broekhuizenvorst gestuurd om nieuwe munitie op te halen. Daar aangekomen moest hij achter de kerkmuur dekking zoeken voor het vijandelijke artillerievuur. Wanneer hij kans zag snelde hij naar het C.P. Aldaar werd hem eerst een boterham aangeboden gevolgd door de mededeling dat nieuwe munitie niet meer verkrijgbaar was. Terug in Broekhuizen werd Brouns getroffen door een granaatscherf in zijn kuit. De ‘Pag.’ was inmiddels opgehouden met vuren.
De stelling lag nog steeds zwaar onder vuur en loopgraven stond op instorten. De schiet gleuven van de kazematten moesten meerdere malen opnieuw vrijgemaakt worden. De Duitsers lasten een vuurpauze in en hier werd door de Nederlanders goed gebruik van gemaakt. Ondanks alle spanning van de dag was de stemming onder de manschappen buitengewoon goed. Er werden rantsoenen weggewerkt, sigaretten gedeeld en het nodige werd nog besproken. Sommigen namen zelfs de taak op zich te zingen. Soldaat Grubben en Welten werden erop uitgestuurd om water en levensmiddelen te halen in Broekhuizenvorst. Ze waren nauwelijks weg of de hel barstte weer los. Onder hevig vuur bereikten ze Broekhuizenvorst. Door het hevige Duitse spervuur, mochten zij van kapitein De Crau niet meer terugkeren. Het tweetal meldde zich bij luitenant Meuwese voor verdere instructies.
De situatie in de stellingen was ondraaglijk geworden, terwijl de Duitse artillerie bleef hameren leek het alsof de hele wereld schudde. Vanwege het gevaar op instorting van de instelling was men genoodzaakt zich terug te trekken. Tijdens een korte vuurpauze snelde iedereen naar de nabijgelegen boerderij Johannahoeve op de Veerweg die niet zo hevig onder vuur leek te liggen.
Rond 08.00 uur staken Duitse troepen bij Lottum de Maas over. De Duitsers ontdekten hier een zwakke plek in de verdedigingslinie. Met zware artillerie steun lukte het ze om de Maas over te steken.
Enkele inwoners die geweigerd hadden te evacueren, lieten de achtergebleven militairen weten dat de vijand hen in de flanken kwam aanvallen. De chaos had de overhand gekregen onder de verdedigers. Ze waren inmiddels begonnen aan een terugtocht richting Swolgen. Sergeant Tuinman besloot met zijn groep naar Broekhuizenvorst te gaan voor nieuwe bevelen. Daar aangekomen was er geen C.P. meer. De staf in Broekhuizenvorst was, zonder de stellingen hierover te berichten, al volledig ontruimd. Een groep die was achtergebleven zette het gevecht voort. Er kwamen geen meldingen meer binnen. Het enige bevel dat de overgebleven soldaten nog bijstond was: “tot elken prijs standhouden”.
De Duitsers waren nog geen 800 meter verwijderd van de stellingen in Broekhuizen. Om 11.00 uur gingen de achtergebleven commandanten over tot het ontruimen van de nog bemande stellingen. Om uit Duitse handen te blijven besloten Van der Linden en Dekkers de manschappen terug te trekken. Met de trekker richting de Stokt door de bossen naar Horst. Op de Stokt stopten ze voor een korte onderbreking. Enkele inwoners hielpen met het verbinden en verzorgen van een gewonde militair. De Duitsers zaten hen echter nog op de hielen.
Iets voor 14.00 uur bereikten Duitse militairen vanuit Lottum de stellingen in Broekhuizen waar de bemanning van kazemat 162-G en de omliggende loopgraven hardnekkig weerstand boden. De Duitsers bestookten de kazemat met handgranaten en riepen hen toe zich over te geven. Het drietal in de kazemat gaf geen antwoord. Door enkele goed afgevuurde granaten met een 3,7 cm geschut werd de laatste verdediging bij Broekhuizen gebroken. In de kazemat 162-G werden korporaal A. Brands, soldaat W. Keijman en soldaat A. Willems dood aangetroffen. In het magazijn van het machinegeweer zaten nog drie patronen. De drie militairen verdedigden de stellingen zo fel dat de loop van het geweer door de hitte was gebarsten. Ongeveer 30 man werden er uiteindelijk krijgsgevangen gemaakt. Officiële Duitse berichten meldden: “2 Bunker bei Broekhuizen wehren sich hardnäckig. Widerstand erst 14.45 Uhr gebrochen.”
De Duitse verwondering was groot toen bleek dat de Nederlandse stellingen veel kleiner waren dan ze verwachtten. Ze hadden de vechtlust van de Nederlanders onderschat. Na de inname van de dorpen verschenen Duitse officieren bij het gemeentehuis in Broekhuizenvorst en kondigden aan dat de gemeente nu bij het Derde Rijk hoorde.
In een stelling in Broekhuizenvorst wachtten de verdedigers nog steeds in spanning af. Doordat de radio lijnen vernietigd waren kregen de meest noordelijke posten in Broekhuizenvorst geen nieuws van het front. Plotseling hoorde luitenant Thien geweervuur vanuit een woning waar politietroepen zich verschanst hadden. Voor hij doorhad wat er aan de hand was werd zijn stelling overrompeld door de Duitsers.
Door een melding van een patrouille vernam luitenant Paesen in Ooijen, dat Broekhuizen en Broekhuizenvorst gevallen waren en dat de Duitsers al onderweg naar de Peel waren. Paesen ging persoonlijk naar de kazematten om de achtergebleven soldaten op te halen. Gezamenlijk verliet het peloton de stellingen. Enkele secties van 3-III-26 R.I. wist in Horst te hergroeperen.
Langs de Maas werden de gevangen genomen militairen afgevoerd. Deze kwamen terecht in Stalag II-d in Stargard, een krijgsgevangenkamp met Nederlandse, Belgische en Franse soldaten. De meeste Nederlanders werden op 6 juni 1940 weer vrijgelaten.